A is een Aapje, dat suikerriet steelt
B is een Bokje, waar Jaapje mee speelt
C is Cacatoa, die Koppiekrauw zegt
D is een Duifje, dat eiertjes legt
E is een Ezel, die gaat naar het land
F is Flamingo, die staat aan den kant
G zijn de Ganzen, met hun neus in de lucht
H is een Haas, die den jager ontvlucht
I is een Inktvisch, die Inkt spuit in't zee
J is een Jakhals, die jaagt op het vee
K zijn de Kippen, die kaak'len op straat
L is de Leeuw, die loeit 's avond laat
M zijn de Muisjes, met heel langen staart
N is een Neushoorn, die loopt als een paard
O is de Olifant, die zwaait met zijn sneut
P is de Poes, die zit voor de ruit
Q is de Quagga, zijn vel is vol strepen
R is de Raaf, zo slim en geslepen
S is de Schildpad, met een schilt op haar rug
T is de Tijger, zoo lenig en vlug
U is een Uil, zijn oogen zijn groot
V is een Veulen, zoo hoog op de poot
W is de Wolf, door de herders gevreesd
X is Xanthippe, het leelijkste beest
Y is een Ysbeer, die zeehonden vangt
Z is de Zwaan, die naar kruimpjes verlangt